5. mei, 2017

Tekst

Zuster Bertken

Suster Bertken heeft zich aangetrokken gevoeld tot de Moderne Devotie, waarvan Geert Grote in Deventer de oorsprong en inspirator was en Thomas a Kempis in het klooster op de Agnietenberg door zijn Navolging van Christus de grote verspreider, de eeuwen door. Na van het kapittel van de St.-Pieterskerk te Utrecht. druk lag op vroomheid en praktische geloofsbeleving. In 1457 liet ze op eigen kosten een cel van zo’n 3,75 bij 4 meter bouwen in de Utrechtse parochiekerk (de Buur(t)kerk en liet zich daar insluiten als kluizenares. Ze verbleef er 57 jaar lang tot haar dood op 87-jarige leeftijd, waarna ze in haar cel werd begraven.

In haar cel wendde ze zich af van alle aardse beslommeringen en richtte ze zich volledig op God. Ze wees elke vorm van weelde af, verbleef blootsvoets in haar onverwarmde cel, droeg slechts een grof haren kleed en at zeer eenvoudige maaltijden zonder vlees of zuivelproducten. Het grootste gedeelte van haar tijd bracht ze door met gebed en meditatie. Ze kon vanuit haar kluis alle vieringen volgen, want ze had goed zicht op het altaar. 's Middags praatte ze met voorbijgangers die haar bezochten om raad te vragen of een luisterend oor te vinden. Verder hield ze zich bezig met spinnen, weven en schrijven.

 
Een boecxken gemaket ende bescreven van suster bertken die.IVij.iaren besloten heeft gheseten tot Utrecht in die buerkercke, 1516

Er zijn twee boekjes van haar hand bewaard gebleven, beide van religieuze aard. Het ene, Het boecxken van dye passie bevat overwegingen in proza over het lijden van Christus. Het andere, Suster Bertkens boeck tractierende van desen puncten, bevat een aantal gebeden, een traktaat over de kerstnacht, een dialoog tussen de gelovige ziel en haar bruidegom Christus en ten slotte acht liederen. Het zijn deze liederen die Suster Bertken een plaatsje hebben bezorgd in de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Ze geven uiting aan haar zoektocht naar God, en het gevoel van eenheid met Hem dat ze uiteindelijk ervoer tijdens haar mystieke ervaringen.

 

Ic was in mijn hoofkijn om cruyt gegaen
Een lyedeken
Ic was in mijn hoofkijn om cruyt gegaen;
Ic en vanter niet dan distel ende doorn staen.
Den distel ende den doorn die werp ick wt:
Ic soude gaerne planten ander cruyt.
Nu heb ic een gevonden dye gaerden can;
Hi wil die sorge gaerne nemen an.
Een boom was hooch gewassen in corter tijt;
Den cond ic wter aerden gebrengen nyet.
Dat hinder vanden bome mercte hi wael:
Hi toochen wter aerden aerden altemael.
Nu moet ic hem wesen onderdaen,
Oft hi en wil dat gaerden niet bestaen.
Mijn hoofken moet ic wien tot alre tijt;
Nochtans en can icks claer gehouden niet.
Hier in so moet ic zayen lelyen saet;
Dit moet ic vroech beginnen inder dageraet.
Als hi daer op laet dauwen, die minre mijn,
So sel dit saeyken schier becleven sijn.
Die lelien siet hi gaerne, die minre mijn,
Als si te rechte bloyen ende suver sijn.
Als die rode rosen daer onder staen,
So laet hi sinen sueten dau daer over gaen.
Als hi daer op laet schynen der sonnen schijn,
So verbliden alle die crachten der sielen mijn.
Jhesus is sijn name, die minre mijn;
Ic wil hem eewelic dienen ende sijn eygen sijn.
Sijn min heeft mi gegeven so hogen moet,
Dat ic niet meer en achte dit eertsche goet

 

  • Mi quam een schoon geluit in mijn oren. Het werk van Suster Bertken. Opnieuw uitgegeven en toegelicht door José van Aelst, Fons van Buuren en Annemeike Tan. Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2007 (248pp).