Het nieuwe Jerusalem, de heilige Stad, is het einddoel waarnaar de hele mensheid op weg is. (Paus Frans)

20. jun, 2018

Er komt leven in de brouwerij!
Zo mag ik ook wel beginnen als de Zusters van Oosterhout vanmorgen in de VK zo vrijuit spreken over de kwaliteit van hun wijngaard! Gisteren bleek dat met name de Eucharistieviering in de Pax Christikapel van Hoog Catharijne goed in beeld komt. Niet alleen door de vele grote verwijzingen naar de locatie maar toch.... goed dat we ons niet meer in een 'verdomhoekje' voelen zitten. De Eucharistieviering werd door een elftal (met dank aan het WK!) mensen bezocht. Voor zes van hen was het het eerste bezoek. Het orgel werd bespeeld. De lof Gods kreeg vorm.
Heel bijzonder was dat ik 's avonds van twee kanten via de mail bericht kreeg van mensen die bereid waren om met regelmaat op zondag te assisteren als koster of als gastvrouw o.i.d. Al met al ziet het er naar uit dat we nog dit jaar kunnen besluiten om iedere zondag in de namiddag Eucharistie te vieren in deze voor Utrecht unieke Pax Christikapel.

Nog eenmaal de dag kreten van de NEGENDAGENTRIP (noveen) naar 17 juni toe in facebook:

10/6: In Utrecht kun je ook in het Winkelcentrum HoogCatharine naar de kerk!

11/6: laat me niet alleen...

12/6: Nog vijf nachtjes slapen....

13/6: Doe eens NIET normaal, laat je door de stilte verrassen in de kapel en het stiltecentrum van HoogCatharijne.

14/6: C(athedraal) & A(ugustinus) gaan sluiten? We hebben altijd de Pax Christi kapel in HoogCatharijne nog!

15/6: Wie? Weet? Waar? Wanneer?

16/6: Geef Acht op dag Acht!

17/6: Proef de STILTE IN HOOG CATHARIJNE!!!!! 

18/6: Er komt leven in de brouwerij.

 

 

 

3. dec, 2016

Een van de nuttige kanten van de verzuiling was dat door de oprichting van confessionele universiteiten het 19de-eeuwse liberale zelf- en geschiedbeeld gecorrigeerd kon worden. Katholieken, gereformeerden, arbeiders, vrouwen en homo's hebben grotendeels zelf hun geschiedenis binnen algemeen gezichtsbereik gebracht. Van de liberale blanke heteroseksuele mannelijke bovenlaag, zich wentelend in haar eigen 'objectiviteit', kwam die verbreding van onze kennis zelden, en zonder die diversiteit zou de oudbakken eenzijdige kijk op zeg de Tachtigjarige Oorlog en de zegenrijkheid van de Oranjes nog steeds toonaangevend zijn. 

Aldus citaat van Thomas van der Dunk, cultuurhistoricus in De Volkskrant d.d. 7 okt.2016

3. dec, 2016

Op uitnodiging van de Tilburg School for Catholic Theology en het Centrum voor Sociale Leer van de Kerk (Vogelenzang) sprak de bekende theoloog en priester Tomas Halik op 22 maart 2016 over de toekomst van het christendom in een seculiere wereld.

Op dit ogenblik kent die transformatie drie hoofdvormen: de transformatie van de religie in een politieke ideologie, de transformatie van de religie in een filosofische hermeneutiek en fenomenologie, en de transformatie van religie in spiritualiteit..... Over het laatste schrijft Halik:  

De derde transformatie van religie omvat de toenemende nadruk op spiritualiteit, in het bijzonder op mystiek, als religieuze ervaring. De groeiende interesse in spiritualiteit sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw was een reactie op zowel de koude rationaliteit van de technologische beschaving als op het spiritueel zouteloze aanbod van de christelijke kerken. De syncretische vermenging van oosterse mystiek en psychologie die ‘new age’ werd genoemd, is als golfbeweging over haar top heen en de spiritualiteit zoekt nieuwe wegen. Sommige christelijke denkers behoren nu tot de invloedrijkste auteurs van spirituele literatuur, zoals bijvoorbeeld Thomas Merton, Henri Nouwen en Anselm Grün.

Een theologie die gebruikmaakt van de bronnen van de christelijke mystiek is in staat om mensen aan te spreken tot voorbij de zichtbare grenzen van de kerk. Er zijn veel mensen van wie we zouden kunnen stellen dat ze ‘zoekend’ zijn en die van zichzelf meestal zeggen dat ze nergens in geloven maar wel spiritueel zijn. Sommigen van deze groep zijn voormalige praktiserende christenen die afscheid hebben genomen van hun kerk (zij hebben deze officieel verlaten of onderhouden er hooguit nog een passieve relatie mee), maar die niet gestopt zijn ‘gelovigen op hun eigen manier te zijn’. Die mensen vormen nu een diffuse kerk in het Westen, een kerk die wel eens meer aanhangers zou kunnen hebben dan de kerk van de ‘praktiserende christenen’. Paus Benedictus heeft kennelijk ingezien dat als de kerk zich uitsluitend met de ‘praktiserende christenen’ zou associëren, ze al snel in een sekte zou veranderen. Daarom drong hij er bij de kerk op aan hetzelfde te doen als de Joden deden in de tempel van Jeruzalem: een ‘voorhof der heidenen’ openstellen voor hen die zich niet volledig identificeren met de leer en de praktijk van de kerk maar desalniettemin ‘belangstelling voor religie’ hebben.

Paus Franciscus’ pontificaat lijkt vervolgens niet alleen ruimte te bieden voor ‘vrome heidenen’, maar ook voor ‘ex-katholieken’. In zekere zin vormt de toekomst van de kerk de toekomst van de westerse beschaving. Deze toekomst hangt in belangrijke mate af van het feit of de kerk zal inzien dat haar een nieuwe taak wacht naast de pastorale zorg voor de gedisciplineerde parochianen of de ‘blijvers’ en de klassieke missionering, namelijk de begeleiding van spirituele zoekers in dialoog. Dit verschilt van de klassieke missionering die erin bestaat om de ‘zoekenden’ binnen de kerk te brengen en hen binnen de bestaande institutionele en intellectuele grenzen van de kerk te duwen. In plaats daarvan wordt geprobeerd die grenzen te verruimen en de schatten van de kerk te verrijken met de ervaringen van hen ‘die niet onze weg gaan’.

Een nieuwe ecclesiologie zou gebaseerd moeten zijn op Jezus’ vastberaden antwoord aan de discipel die naar een monopolie op de waarheid verlangde: ‘Wie niet tegen ons is, is vóór ons’. Deze nieuwe ecclesiologie zou kenotisch van aard moeten zijn en om het even welk nostalgisch verlangen naar een ‘massakerk’ moeten laten varen. Ze zou afstand moeten nemen van ideeën over de kerk als een sekte die een tegencultuur vormt tegen de hedendaagse samenleving, en van een model van een kerk die onkritisch conformistisch is in haar houding ten opzichte van de meerderheidsmaatschappij. Voordat de kerk de deuren kan openzetten, zullen de christenen eerst hun geest moeten openzetten. Een ‘nieuwe evangelisatie’ zal alleen werkelijk nieuw zijn als ze wordt voorafgegaan en vergezeld door een bescheiden zwijgen en een aandachtig luisteren – een contemplatief lezen van de ‘tekenen van de tijd’.

Het artikel van Tomás Halik is getiteld: De tekenen van de tijd lezen. Christendom tussen seculariteit en post-seculariteit. Op uitnodiging van de Tilburg School for Catholic Theology e het Centrum voor Sociale Leer van de Kerk (Vogelenzang) sprak T.Halik op 22 maart 2016 over de toekomst van het christendom in een seculiere wereld. U vindt de hele tekst in het Zomernummer van het Tijdschrift voor Theologie 2016.

 

16. mei, 2015

De bisschop van Rome, paus Frans, blijft de wereld verrassen. Zo schrijft hij in Evangelii Gaudium, zijn 'troonrede': 

Het nieuwe Jeruzalem, de heilige Stad , is het einddoel waarnaar de hele mensheid op weg is. Het is interessant dat de openbaring ons zegt dat de volheid van de mensheid en de geschiedenis wordt verwezenlijkt in een stad. Wij moeten de stad vanuit een contemplatief standpunt herkennen, ofwel vanuit een standpunt van het geloof dat de God ontdekt die in haar huizen, in haar straten, op haar pleinen woont. De tegenwoordigheid van God begeleidt het oprechte zoeken dat mensen en groeperingen doen om steun en zin voor hun leven te vinden. Hij leeft onder de burgers en bevordert de solidariteit, de broederlijkheid, het verlangen naar het goede, naar waarheid, naar gerechtigheid. Deze tegenwoordigheid mag niet worden vervaardigd, maar moet worden ontdekt, onthuld. God verbergt zich niet voor hen die Hem zoeken met een oprecht hart, hoewel zij dat tastend doen, op een onnauwkeurige en vage wijze. (71).

In de stad wordt het religieuze aspect tot stand gebracht door verschillende stijlen van leven, door gewoonten gekoppeld aan een gevoel van tijd, grondgebied en relaties dat verschilt van de stijl van de plattelandsbevolkingen. In het leven van iedere dag vechten de burgers vaak om te overleven en in dit gevecht gaat een diep gevoel voor het bestaan schuil dat gewoonlijk ook een diep religieus gevoel inhoudt. Dit moeten wij in aanmerking nemen om een dialoog te krijgen zoals de Heer met de Samaritaanse tot stand bracht bij de put waar zij trachtte haar dorst te lessen (72)

Het is absoluut noodzakelijk aandacht te schenken aan nieuwe vormen van armoede en broosheid, waarin wij geroepen zijn de lijdende Christus te herkennen, ook als dit ons blijkbaar geen tastbare en onmiddellijke voordelen brengt: de daklozen, de drugsverslaafden, de vluchtelingen, de noodlijdende volken, de steeds eenzamere en in de steek gelaten ouderen enz. De migranten vormen voor mij een bijzondere uitdaging, omdat ik herder ben van een Kerk zonder grenzen, die zich moeder van allen voelt. Daarom spoor ik de landen aan tot een edelmoedige openheid, die in plaats van de vernietiging van de lokale identiteit te vrezen in staat is nieuwe culturele syntheses te scheppen. Hoe mooi zijn de steden die ongezond wantrouwen weten te overwinnen en hen die anders zijn, integreren en die van die integratie een nieuwe factor van ontwikkeling maken! Hoe mooi zijn de steden die ook in hun architectonisch plan vol ruimtes zijn die verbinden, relaties tot stand brengen, de erkenning van de ander bevorderen! (192)

In de Licht van Christus-parochie van Utrecht-Leidsche Rijn heeft pastoor Martin Los in april zijn maandelijkse blog gewijd aan:

DE VERSTEDELIJKING EN DE TOEKOMST VAN DE KERK. 

 Hier volgt - met toestemming - de tekst van het blog, maar niet die van de reacties. Ook de opmaak is hier soberder.  U vindt de verwijzing naar het aprilblog van pastoor Los aan het begin van deze 'pagina'  

Soms valt ons ineens iets op. We wisten het allang, maar het had nog geen bijzondere betekenis voor ons. Mogelijk negeerden we het, bewust zelfs misschien, omdat de boodschap onprettig was. Door die schok van de ontdekking kan het gebeuren dat het probleem verandert in een enorme uitdaging. Je voelt een tinteling door je handen gaan. Je wil aan de slag gaan. Geen moedeloosheid meer, maar goede moed. Geen onverschilligheid meer maar passie.

Terreinverlies
Politiek commentator Hans Goslinga schrijft in Trouw in zijn column bij gelegenheid van  het 35 jarige lustrum van het CDA dat de partij in de vier grote steden slechts 10 van de 180 te verdelen zetels heeft.

Voor een partij die zich tot de invloedrijksten van ons land rekent, is dat iets om zich grote zorgen over te maken.
De partij scoort het hoogst in de provincies, en dan nog in die aan de rand van ons land. Friesland, Overijssel en Limburg.
Waar het leven nog een beetje overzichtelijk lijkt, gedijt het CDA  kennelijk, volgens Goslinga. Maar waar de samenleving onoverzichtelijk is, zoals in de steden, verliest de partij nog steeds terrein.
Met de trek naar de grote steden vanuit de provincie is dat geen hoopvol vooruitzicht voor de christendemocraten. In de steden is hun invloed klein, en de randen van ons land waar ze wel een rol spelen, neemt het aantal inwoners af.

Er is een duidelijke parallel met de kerken in ons land. In provincies waar het leven enigszins overzichtelijk lijkt, is er in de regel nog sprake van enige vorm van kerkelijke presentie. Maar in de grote steden heeft de kerk moeite om het hoofd boven water te houden in de zee van mensen.
Gezien de krimp van de bevolking in de provincies en de moeite van de kerken om zich in de steden enigszins staande te houden, is dit geen rooskleurig beeld.

Kerksluiting
In de Rooms-katholieke kerk neemt met name kardinaal Eijk geen blad voor de mond als hij vanuit deze ontwikkeling de toekomst van de parochies en kerken in het aartsbisdom beschouwt.

De komende vijftien jaar zal als de ontwikkelingen niet veranderen, volgens de kardinaal, het bisdom nog uit ongeveer 20 parochies bestaan met één of meer kerken afhankelijk van de vitaliteit. Op dit moment zijn er nog 50 parochies met samen enige honderden kerken. Vijfentwintig jaar geleden waren er nog 350 parochies in het Aartsbisdom Utrecht.
In de media en in de volksmond wordt de niet erg optimistische visie van de kardinaal vaak voorgesteld als een bewust beleidsplan. De aartsbisschop zou er volgens tegenstanders op uit zijn om kerken te sluiten en op die manier een aantal orthodoxe centra over te houden.
Maar de kardinaal benadrukt telkens dat hij helemaal niet bewust aanstuurt op sluiting van kerken. Hij kan dit zelfs niet volgens het kerkrecht, legt hij uit, omdat niet de bisschop, maar parochiebesturen kerkgebouwen voordragen om gesloten te worden. Reden kan zijn dat de inkomsten ver achter blijven bij de uitgaven voor personeel en gebouwen, en dat een faillissement dreigt.
Door de kritiek op de persoon, wordt de aandacht van de zaak zelf afgeleid. Waar het om gaat is de kerkelijke presentie in onze tijd. Welke vorm kan zij aannemen in onze tijd. Het werkelijke probleem wordt verhuld door de mist van de commotie. Als die mist is opgetrokken zal het probleem intussen alleen maar toegenomen zijn. Terwijl de tijd dringt.

Algemeen kerkelijk probleem
Ook in de Protestantse Kerk Nederland is sluiting van kerken een zaak die velen bezig houdt. Daar geen bisschop die men verwijten kan maken. Tenminste nog niet, want af en toe klinkt in de PKN de roep om een bisschop om kordater problemen te kunnen aanpakken.

Een kerkrentmeester uit Enschede schrijft in een ingezonden brief in Trouw naar aanleiding van de commotie rond kardinaal Eijk dat in die stad zes kerken gesloten zullen worden.
Op de homepage  van de EO stond deze week het bericht dat tachtig procent van de protestantse kerken in de rode cijfers is beland. Alles bevestigt het beeld van gestage teruggang van kerkelijke presentie in de provincies en marginalisering in de steden.
Hoe onoverzichtelijker en gevarieerder de samenleving, hoe minder kerk en christelijke politiek nog zichtbaar zijn. Elkaar van dit proces de schuld geven, is geen oplossing. Het gaat om een proces dat zich in de samenleving voltrekt. Natuurlijk is sluiting van kerkgebouwen heel pijnlijk. Gelovigen en niet-meer-gelovigen zijn vaak emotioneel verbonden met een kerk. Daar moet zeer zorgvuldig mee worden omgegaan. Het vraagt om een zorgvuldige communicatie.

Maatschappelijke en cultureel probleem
Verder is het ook een zaak van heel de gemeenschap van een dorp, stad of buurt wat er met een kerkgebouw moet gebeuren als de kerkelijke gemeente niet meer in staat blijkt het gebouw open te houden.
Terecht heeft de Christen Unie aandacht van de politiek gevraagd om zich te buigen over de toekomst van de kerken in ons land. Ze bepalen vaak de horizon, of het beeld van de buurt.  De bouwstijlen zijn van belang vanuit cultureel opzicht. En vaak vervullen kerken afgezien van hun religieuze functie een rol als centrum in een gemeenschap.
Sluiting van kerkgebouwen is iets dat ons allen als burgers aan gaat. Onttrekken aan de eredienst wil niet zeggen dat de kerk ook als gebouw hoeft te verdwijnen. Het zou goed zijn als de politiek zich hierover buigt. In Frankrijk zijn de kerken van de overheid. En in Duitsland betalen kerkleden kerkbelasting via de overheid. Dat is een situatie die in ons land niet denkbaar of wenselijk is. Maar het kerkgebouw als speelbal van krachten zoals de marktwerking is toch ook niet de bedoeling. Het heeft al genoeg te lijden van weer en wind.

Hoe langer hoe meer worden de contouren van het werkelijke probleem duidelijk: hoe onoverzichtelijker, gevarieerder en dynamischer de samenleving, hoe onzichtbaarder en marginaler kerk en geloof. Door de verstedelijking en de ontvolking van het platteland en de randen van ons land zal dit proces alleen maar toenemen.

Angst en onzekerheid
Volgens Goslinga in zijn column in Trouw is het verdwijnen van de christendemocratie in de steden een gevolg van angst om met het onbekende en vreemde om te gaan. Naar zijn mening heeft het CDA de boot gemist in de afgelopen periode door onvoldoende ruimte te bieden aan mensen van andere culturen en geloven in de partij en aan hun verlangens.

Ik ben onvoldoende op de hoogte met wat erin de hoofden van de leiders van het CDA omgaat, maar het woordje “angst” is denk ik wel terecht. Angst voor wat niet overzichtelijk is, wat onbekend is, wat buiten de gebaande paden gaat. In de onzekerheid van de moderne samenleving kun je met angst niet uit de voeten.
Natuurlijk is er angst. De meeste moderne mensen, en vooral jonge, hebben last van angst. Maar zij weten dat die angst als raadgever tot niets leidt.
Tegen de angst knokken, de kansen grijpen die er liggen, wendbaar zijn, is de remedie van de jonge mensen om het hoofd boven water te houden en een beetje gelukkig te zijn in alle onzekerheid en dynamiek.
Als ik Goslinga goed begrijp, moeten de christendemocraten de angst afleggen voor alles wat onzeker maakt, om weer voet aan de grond te krijgen in de moderne samenleving. Geen angst hebben voor de buitenwereld, maar er helemaal voor openstaan.

Zichtbaarheid
Ook hier zie ik een parallel met de kerk en de christelijke presentie in onze samenleving.

De kerk is meester geweest in het zichtbaar zijn in een overzichtelijke wereld.
Kerken werden gebouwd op hoogste punten, vaak nog op de plek waar de heilige eik of andere voor-christelijke heiligdommen stonden.
In de tijd van de industrialisatie en de uitbreiding van de steden met nieuwbouw wijken was het beleid dat in elke wijk een kerk werd gebouwd, een rooms-katholieke, een Hervormde en een Gereformeerde.
Velen van ons zijn nog met dat beeld vertrouwd uit onze jeugd. Daardoor heeft het model iets normatiefs. We zien het verdwijnen ervan als een groot probleem en steken alle energie erin om groter verval tegen te houden.
Maar als het probleem nou eens een geweldige uitdaging blijkt te zijn? Als we  de angst voor het onzekere en onbekende afleggen, zouden we als christenen dan niet veel meer kunnen betekenen met de boodschap van het Evangelie?
Meester zijn in een overzichtelijke wereld uit zich in een presentie en macht die zegt: “kom maar naar ons toe. Wij hebben alles wat jij nodigt hebt”.
Daar tegenover leerling zijn. Leerling van Jezus zijn in een onoverzichtelijke situatie betekent naar de mensen te gaan, zijn waar zij zijn, met alle angst, onzekerheid en armoede, om zo de rijkdom en de blijdschap van het Evangelie te beleven.

Een paus uit een wereldstad
Het is voor mij een bijzonder teken van Gods voorzienigheid dat juist in deze tijd een paus gekozen is die meer dan vijfentwintig jaar aartsbisschop is geweest van een stad van minstens 13 miljoen inwoners: Buenos Aires.

Andrea Riccardi, oprichter van de nieuwe kerkelijk beweging San’Egidio,  schrijft in zijn boek La Sopresa di Papa Francesco (Milaan 2013) over de grondmotieven van het pastoraat van paus Franciscus dat de verkondiging van het Evangelie in verstedelijking op aarde één van zijn grote passies is.
We leven in een tijd waarin sommige hoofdsteden meer bewoners tellen dan de rest van het land. In Argentinië is dat al het geval. De stad is een wereld die de alles bepalende horizon van mensen geworden is.
Paus Franciscus ziet de bijna onmetelijke stad niet als gebied dat in religieus opzicht als verloren moet worden beschouwd. Hij ziet de stad van de mens juist als een enorme uitdaging voor het Evangelie. In zijn visie moeten we als christenen present zijn door de armen te helpen in nood, door mensen zonder uitzicht hoop te bieden. “Huur een garage waar je met anderen bidt en waar mensen kunnen aankloppen” adviseert de paus de priesters en de leiders van gemeenschappen.

Geen gebouwen maar getuigen
We moeten zichtbaarheid van de kerk niet verwarren met zichtbaarheid door kerktorens. Wat bijna iedereen vergeet, is dat christenen in het begin drie eeuwen lang geen kerkgebouwen mochten bouwen omdat de kerk verboden was. Gelovigen werden vervolgd en velen werden om hun trouw aan het Evangelie gedood. Zij heetten “martelaren” (Grieks martyr “getuige”), christenen die met hun leven getuigden.
Drie eeuwen lang duurde deze situatie, denk je eens in. Toch werd het geloof doorgegeven en groeiden de christelijke gemeenschappen.
Pasen na 325 mochten er kerken gebouwd worden en monumenten op heilige plaatsen worden opgericht.
Waar was God al die tijd? Was Hij nergens vanwege het ontbreken van gebouwen? Hij was in de harten van de gelovigen, in de hartelijke wijze waarop zijn samenkwamen op een binnenplaats om het brood te breken, in de voorbeeldige wijze waarop men met de armen omging. In de vrijheid die men beleefde doordat voor God iedereen gelijk was: vrije en slaaf, rijke en arme, man en vrouw, enzovoort. Niets was voor de eerste christenen zeker, alleen God. Maar juist daardoor konden ze voor hun medemensen zoveel betekenen.

Vergeten we ook niet de tijd van de Reformatie toen de Rooms-katholieken alle openbare kerkgebouwen verloren. Drie eeuwen lang mochten ze alleen thuis en in schuilkerken hun geloof vieren. Het waren vooral de gezinnen waarin generaties lang het geloof werd doorgegeven en beleefd in de huiselijke rituelen.

Het begon in de steden
De verkondiging van het Evangelie door de apostelen en de eerste christenen begon in de grote steden. Lees het boek van de Handelingen der apostelen erop na. Paulus begaf zich naar de plekken waar mensen samenkwamen. Natuurlijk waren die steden kleiner dan de moderne, maar op een bepaalde manier waren ze heel onoverzichtelijk.  Er waren vele rondtrekkende handelslieden. En overal waren Romeinse garnizoenen gelegerd die vaak snel van samenstelling wisselden. Er was een mengelmoes van culturen en talen. De apostelen zagen de stad niet als een onoverkomelijk probleem, maar als “velden die wit waren om te oogsten en waarin de Heer van de oogst hen had uitgezonden”.

De stad van God en mensen
In zijn eerste encycliek Gaudium Evangelii bespreekt paus de uitdaging om de vreugde van het geloof te verkondigen en ook zelf te beleven in de stad. Meer dan wie ook is de voormalige aartsbisschop van Buenos Aires zich bewust van de menselijke ellende in de stad, maar het is ook de plaats waar de stad van God zich voltrekt.

“Het nieuwe Jeruzalem, de heilige Stad , is het einddoel waarnaar de hele mensheid op weg is. Het is interessant dat de openbaring ons zegt dat de volheid van de mensheid en de geschiedenis wordt verwezenlijkt in een stad. Wij moeten de stad vanuit een contemplatief standpunt herkennen, ofwel vanuit een standpunt van het geloof dat de God ontdekt die in haar huizen, in haar straten, op haar pleinen woont. De tegenwoordigheid van God begeleidt het oprechte zoeken dat mensen en groeperingen doen om steun en zin voor hun leven te vinden. Hij leeft onder de burgers en bevordert de solidariteit, de broederlijkheid, het verlangen naar het goede, naar waarheid, naar gerechtigheid. Deze tegenwoordigheid mag niet worden vervaardigd, maar moet worden ontdekt, onthuld. God verbergt zich niet voor hen die Hem zoeken met een oprecht hart, hoewel zij dat tastend doen, op een onnauwkeurige en vage wijze “ Evangelii Gaudium (Hoofdstuk II, 71)

Hoe anders is vaak nog onze eigen instelling. We willen houden wat we hebben en we zien de onkerkelijke omgeving als bedreiging van ons geloof en de waarden van het geloof. Hoe christelijk is deze visie en hoe vreugdevol is deze beleving? Hoe kan zo een gemeenschap iets uitstralen naar anderen, met name jongeren voor wie de wereld onoverzichtelijk is en zal blijven, net als voor de armen en ontheemden, en voor wie niet?

Kerk in de kinderschoenen
Ik ben zelf pastoor in Leidsche Rijn (inclusief Vleuten/De Meern). In minder dan 15 jaar is de bevolking hier gegroeid van 17.000 tot 85.000. Ze zal doorgroeien tot 100.00. Vanuit heel Nederland en van over de hele wereld komen hier mensen wonen.  Er zijn weinig historische en natuurlijke verbanden. Er zijn geen nieuwe parochiekerken bijgekomen ondanks de enorme toevloed van mensen. Kerksluiting lijkt de komende tien jaar niet aan de orde vanwege de vitaliteit van de geloofsgemeenschap en de aanwas met jonge mensen. Maar de vraag hoe je buiten de kerkgebouwen kerk kunt zijn, hoe je als christenen zichtbaar en vruchtbaar kunt zijn in enorme woonwijken zonder zichtbare kerken, is des te urgenter.

Ik merk hoe belangrijk in zo’n stedelijke omgeving sociale media zijn als Facebook en Twitter. Maar dat is slechts één aspect van presentie.
Samenwerking met de nieuwe buurtteams is een nieuwe mogelijkheid door samen mensen te helpen. Bondgenoten zoeken bij de medechristenen, en bij alle groepen die opkomen voor menselijkheid en andere gemeenschappelijke waarden.
En vooral door persoonlijk als christenen herkenbaar present te zijn door onze hoop, door liefde en blijdschap, en edelmoedigheid, door samen te komen en te bidden en elkaars verhalen en ervaringen te delen.

Het is ook nodig voor ogen te houden dat de kerk een instituut is met ambten, maar ze is evenzeer ook een beweging met charisma’s.
De kerk is tweeduizend jaar oud, maar ze staat ook nog steeds in de kinderschoenen. Het is niet of-of, maar en-en.
Plaatselijke kerken moeten samenwerken met kerkelijke bewegingen en congregaties. Elkaar niet als concurrenten beschouwen

Ik denk ook aan de vele katholieken die uit andere werelddelen hier komen wonen. Zij zijn vaak een voorbeeld hoe je spontaan kunt geloven, zonder de vertrouwde sociologische context die voor ons geboren en getogen Nederlanders zo nodig blijkt om het geloof te bewaren. Met het verlies van die context lopen velen letterlijk met hun ziel onder de arm. Vooral van de Zuid-Amerikaanse, Aziatische, Oost- en Zuid-Europese christen kunnen we veel leren.

Christelijke presentie als permanente uitdaging
Leidsche Rijn is deel van de gemeente Utrecht. Volgens berichten lijkt in de stad Utrecht sluiting van meerdere kerkgebouwen onafwendbaar.

Als dat zo is zullen die monumentale kerken hopelijk behouden blijven voor de buurt. Toch betekent dit dat ook in de stad Utrecht mogelijk op korte termijn hele stadsdelen zonder kerkelijk presentie in de vorm van zichtbare kerken zullen komen.
Hoe kunnen we daar als christenen present zijn. Hoe voorkomen we dat we daar door de “angst voor de buitenwereld” geen mogelijkheden meer zien om het Evangelie aan velen te verkondigen en samen met velen te beleven?
Wat zou het jammer zijn als we blijven steken in de discussie en de pijn van kerksluitingen. Sluiting van kerken kan nooit een doel op zich zijn, maar behoud ervan ook niet.
Natuurlijk is voor ons een kerk meer dan een gebouw. Het is een huis van God. Het is zichtbaar teken van Gods tegenwoordigheid onder de mensen. Maar sluiting, als het echt niet anders kan, betekent niet het einde van de tegenwoordigheid van Christus in ons midden.
Het kan ook het begin zijn van de ontdekking hoe krachtig de blijde boodschap is als we naar buiten treden. Het zou heel goed zijn als we als parochies binnen Utrecht samen kijken hoe we aan de oproep van paus Franciscus gehoor kunnen geven om in onze stad als christenen present te zijn.
Laten we de stad niet als een bedreiging van kerk en christelijke waarden zien, maar als een enorme uitdaging om de vreugde van het Evangelie te beleven als in de dagen van de eerste christenen.

(c) Martin Los, 29 april 2015

Geplaatst in Leidsche Rijn,pleidooien 4 reacties